Financiën

Inleiding

Resultaat 2018

In 2018 heeft Hogeschool Viaa een resultaat gerealiseerd van € 257.000 (2017: € 859.000). Het resultaat over 2018 wordt in belangrijke mate beïnvloed door hogere personeelskosten en huisvestingskosten dan begroot. Tevens is de voorziening voor cao-verplichtingen aan vertrekkend personeel verder toegenomen. Hiertegenover staan hogere Rijksbijdragen en een hogere bijdrage uit hoofde van de tijdelijke extra uitkering voor alle Pabo-opleidingen.

Afwijkingen realisatie 2018 t.o.v. begroting

Alle bedragen x € 1.000

De afwijkingen ten opzichte van de begroting 2018 betreffen vooral:

  • hogere Rijksbijdragen door een hogere lumpsum als gevolg van een hogere bijdrage per student en een hogere realisatie van OCW-subsidies;
  • lagere opbrengsten collegegelden als gevolg van een lager aantal studenten dan begroot;
  • lagere baten werk in opdracht van derden, met name door hogere inkoop en inhuur derden; verder speelt hier in negatieve zin dat een groot deel van de baten afwijkend t.o.v. de begroting gepresenteerd wordt als positieve dekking bij de personeelskosten, hierdoor wijken de baten significant af van de begroting;
  • hogere overige baten, met name veroorzaakt door baten met betrekking tot voorgaande jaren en baten uit hoofde van de nieuwe Associate Degree Kind en Educatie;
  • hogere personeelslasten als gevolg van dotaties aan personele voorzieningen, vanwege presentatie in de jaarrekening worden de personeelskosten positief beïnvloed doordat een groot deel van de baten dienstverlening als dekking bij de personeelslasten worden verantwoord.

Financiële situatie

De financiële positie van Hogeschool Viaa is in 2018 gestabiliseerd ten opzichte van 2017. De afname van de rentabiliteit in 2018 wordt veroorzaakt door eenmalige dotaties aan voorzieningen en hogere huisvestingslasten in 2018. 

De afwijkingen ten opzichte van de realisatie 2017 betreffen vooral:

  • hogere Rijksbijdragen door een hogere lumpsum als gevolg van een hogere bijdrage per student;
  • hogere personeelslasten als gevolg van dotaties aan personele voorzieningen.

Tabel 1: kengetallen financiële positie

Tabel 1: kengetallen financiële positie
  Streef- waarde 2018 2017 2016 2015 2014 Signalerings- waarde
Solvabiliteit 2 > 0,30 0,41 0,50 0,53 0,44 0,39 < 0,30
Liquiditeitsratio (current ratio) > 1,00 1,45 1,64 1,29 1,46 1,24 < 0,50
Huisvestingsratio < 0,15 0,07 0,06 0,05 0,07 0,05 > 0,15
Rentabiliteit eigen vermogen > 0,00% 4,46% 15,59% 21,00% 15,40% ‑7,00% < 0,00 (3 jaar)
Rentabiliteit als % van de omzet > 3,00% 1,61% 5,40% 6,30% 3,60% ‑1,70% < 0,00 (3 jaar)
Weerstandvermogen > 0,05 0,36 0,34 0,30 0,24 0,24 < 0,05

Streefwaarde: de intern bepaalde waarde die een indicator minimaal moet hebben. Signaleringswaarde: die waarde waaronder of boven de inspectie uitvoeriger financieel onderzoek gaat uitvoeren.

Toekomstparagraaf

De meerjarenbegroting 2019-2023 is in het jaar 2018 vastgesteld door het College van Bestuur, na instemming door de Medezeggenschapsraad en goedkeuring door de Raad van Toezicht. 

Tabel 2: Studenten en personeel meerjarenbegroting

Tabel 2: Studenten en personeel meerjarenbegroting
  2018 2019 2020 2021 2022 2023
Aantal studenten:            
Situatie op 1-10 van het jaar 1.566 1.640 1.775 1.886 1.970 2.039
Personele bezetting (in fte):            
Management/Directie 4,8 2,0 2,0 2,0 2,0 2,0
Onderwijzend personeel 94,7 96,2 94,6 94,1 93,8 93,3
Overige medewerkers 48,5 50,6 49,9 54,3 58,6 67,2
Totaal 148,0 148,8 146,5 150,4 154,4 162,5

Verwacht wordt dat het aantal studenten na enkele jaren van daling weer zal toenemen in de komende jaren. Dit als gevolg van een positieve verwachting ten aanzien van de instroom en verbeterde studierendementen, met andere woorden een lagere structurele uitval. De instroom op 1 oktober 2018 heeft deze verwachting bevestigd. De personele ontwikkeling volgt waar nodig de ontwikkeling van het aantal studenten. Dit is ook op die manier verwerkt in de meerjarenbegroting 2019-2023.

Tabel 3: Balans meerjarenbegroting

Alle bedragen x € 1.000

Tabel 3: Balans meerjarenbegroting
Balans 2018 2019 2020 2021 2022 2023
Activa            
Materiële vaste activa 11.617 12.106 13.202 12.123 10.959 9.820
Vlottende activa 815 950 950 950 950 950
Liquide middelen 4.746 4.725 2.996 3.857 5.149 6.724
Totaal Activa 17.178 17.781 17.148 16.930 17.058 17.494
             
Passiva            
Eigen vermogen            
Algemene reserve 5.279 5.712 5.612 5.927 6.588 7.557
Bestemmingsreserve 489 480 480 480 480 480
Voorzieningen 1.200 600 600 600 600 600
Langlopende schulden 6.384 7.289 6.756 6.223 5.690 5.157
Kortlopende schulden 3.826 3.700 3.700 3.700 3.700 3.700
Totaal Passiva 17.178 17.781 17.148 16.930 17.058 17.494

De toename van de materiële vaste activa en langlopende schulden betreft de renovatie die in 2017 is gestart en eind 2018 op wat opleverpunten na is afgerond. Deze opleverpunten hebben er toe geleid dat de financiering en bouwdepot nog niet helemaal zijn afgewikkeld; hierdoor zal de post langlopende schulden nog toenemen. Vanaf het laatste kwartaal van 2018 wordt er afgelost op de financieringen. De toename van het eigen vermogen in de meerjarenbegroting wordt veroorzaakt door de verwachte positieve exploitatieresultaten.

Tabel 4: Exploitatieoverzicht meerjarenbegroting

Alle bedragen x € 1.000

Tabel 4: Exploitatieoverzicht meerjarenbegroting
  2018 2019 2020 2021 2022 2023
Baten            
Rijksbijdrage 12.329 11.545 11.110 11.644 12.166 13.055
Collegegelden 2.690 3.045 3.266 3.543 3.765 3.942
Dienstverlening 521 1.456 1.351 1.352 1.322 1.309
Overige baten 422 257 267 267 266 267
Totaal Baten 15.962 16.303 15.994 16.806 17.519 18.573
             
Lasten            
Personeelskosten 11.653 12.145 12.031 12.296 12.591 13.186
Afschrijvingen 759 1.074 1.184 1.224 1.224 1.224
Huisvestingskosten 873 1.397 1.386 1.389 1.392 1.395
Overige lasten 2.305 1.412 1.320 1.422 1.504 1.666
Totaal lasten 15.590 16.028 15.921 16.331 16.711 17.471
Saldo Baten en Lasten 372 275 73 475 808 1.102
Saldo Financiële bedrijfsvoering ‑115 ‑187 ‑173 ‑160 ‑147 ‑133
Totaal Resultaat 257 88 ‑100 315 661 969

De Studievoorschotmiddelen maken onderdeel uit van de Rijksbijdragen en zijn derhalve opgenomen in de meerjarenbegroting.

Tabel 5: Kengetallen meerjarenbegroting

Tabel 5: Kengetallen meerjarenbegroting
  2018 2019 2020 2021 2022 2023
Solvabiliteit 0,34 0,34 0,37 0,36 0,38 0,40
Liquiditeit 1,45 1,53 1,07 1,30 1,65 2,07
Rentabiliteit in % van de omzet 1,61% 0,54% ‑0,63% 1,90% 3,80% 5,20%
Personeelskosten in % van de omzet 73,00% 74,50% 75,20% 73,20% 71,90% 71,00%
Studenten per Fte 10,6 11,0 12,1 12,5 12,8 12,5

Voor de begroting van 2019 en verder is uitgegaan van een gelijkblijvende Rijksbijdrage per student. Dit resulteert in een Rijksbijdrage die uitsluitend wijzigt (in dit geval toeneemt) door de mutatie van het studentenaantal. In de dienstverlening wordt een stabilisatie van de omzet verwacht. Door de verwachte toename van het aantal studenten in de komende jaren ontstaat de benodigde financiële ruimte voor de toenemende huisvestings, afschrijvings- en financieringslasten als gevolg van de renovatie. De financiële situatie van Viaa blijft naar verwachting ook in de toekomst gezond, waardoor er ruimte is en blijft, zowel in de exploitatie als in het eigen vermogen, om mogelijke tegenvallers in de toekomst te kunnen opvangen.

Verschillen toekomstparagraaf 2018 en 2017

Hieronder wordt aangegeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de toekomstparagraaf zoals die is genomen in de jaarrekening 2017 en voorgaande toekomstparagraaf.

Tabel 6: Vergelijking meerjarenraming studentenaantal

Tabel 6: Vergelijking meerjarenraming studentenaantal
    2018 2019 2020 2021 2022
Raming 2017   1.493 1.556 1.633 1.695 1.746
Raming 2018   1.566 1.640 1.775 1.886 1.970
Verschil   73 84 142 191 224

Het verschil in het aantal studenten ontstaat door een aanpassing van de verwachte studenteninstroom (onder andere als gevolg van bijgestelde ambities en de nieuwe Master Interprofessioneel werken met Jeugd) alsook een lagere uitstroom in de komende jaren dan vorig jaar voorzien (met name diplomering, de uitval blijft relatief laag).

Tabel 7: Vergelijking meerjarenraming totaal resultaat

Tabel 7: Vergelijking meerjarenraming totaal resultaat
    2018 2019 2020 2021 2022
Perspectief 2017   641 511 ‑191 ‑21 661
Studenten     962 1.494 2.051 2.184
Overige baten     304 205 202 169
Personeelskosten     ‑1.083 ‑954 ‑1.123 ‑1.572
Afschrijvingen     44 ‑66 ‑106 ‑106
Huisvestingskosten     ‑778 ‑767 ‑770 ‑773
Overige lasten     140 191 94 110
Rentelasten     ‑12 ‑12 ‑12 ‑12
Perspectief 2018     88 ‑100 315 661

Studenten: 
Aanpassing Rijksbijdrage en collegegelden op basis van geactualiseerde prognose.

Overige baten: 
Voortschrijdende inzichten, met name m.b.t. langlopende subsidies.

Personeel: 
Ontwikkeling personeel in relatie tot ontwikkeling studenten, inclusief taakstelling.

Afschrijvingen: 
Invloed van lagere investeringen in 2018 en bijstelling investeringen in de komende jaren.

Huisvesting: 
Aangepast aan actuele inzichten en verwachtingen. Niet één bijzondere oorzaak.

Overige: 
Aangepast aan actuele inzichten en verwachtingen. Niet één bijzondere oorzaak.

Rentelasten: 
Aanpassing uit hoofde van afgesloten financieringsovereenkomst.

Rapportage aanwezigheid en werking van het interne risicobeheersings- en controlesysteem

Het interne risicobeheersings- en controlesysteem wordt vormgegeven binnen de PDCA-cyclus van Hogeschool Viaa. Jaarlijks wordt een (meerjaren-)begroting opgesteld inclusief een risicoparagraaf. Per vier maanden wordt een rapportage opgesteld over de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van uitvoering van de begroting en van de risico’s. Deze worden aangeboden aan en besproken met het Beleidsoverleg, zowel gezamenlijk als individueel, het College van Bestuur, de Auditcommissie, de Raad van Toezicht en de Medezeggenschapsraad.

Risicomanagement

In de hogeschool is verder gewerkt aan het ontwikkelen van het risicomanagement. We proberen risico’s zoveel mogelijk te voorzien, te beperken en/of af te dekken. Gekozen is voor een systeem van periodieke risico-inventarisatie, zodat alle onderdelen en processen van de organisatie tijdig geëvalueerd worden.

Belangrijke risico’s zijn:

  1. De ontwikkeling van het aantal studenten. Belangrijke factoren hierin zijn het imago van de instelling en de belangstelling van studenten. Naast een goede kwaliteitsbewaking is en wordt er intensiever gewerkt aan pr en marketing om potentiële studenten bekend te maken met de hogeschool.
  2. De omvang van het personeelsbestand. De omvang van het personeelsbestand is mede afhankelijk van het aantal studenten en de ontwikkeling van de derde geldstroom. Het risico is dat bij lagere studentenaantallen de omvang niet snel naar beneden kan worden bijgesteld of tegen hoge kosten de omvang geforceerd moet worden aangepast. Dit risico is in beeld gebracht voor de komende jaren en wordt beheerst. Als streefwaarde hanteren we een flexibele schil van minimaal 10%.
  3. De kwaliteit van de opleidingen. Naast kwaliteitsborging via het interne kwaliteitszorgsysteem, Viaa-accreditering en ontwikkeling en actualisering van curricula is er aandacht voor adequaat personeelsbeleid onder meer in de vorm van functionerings- en beoordelingsgesprekken en professionalisering.
  4. De ontwikkeling van de rijksbekostiging. De verwachting is dat er niet veel extra reguliere middelen ter beschikking worden gesteld, terwijl de eisen aan hogescholen vermoedelijk zullen toenemen. Daarnaast valt de tijdelijke extra bijdrage voor de PABO in 2020 weg. Om dit risico te verminderen wordt er in de meerjarenbegroting gestuurd op de interne normen. Wel is de verwachting dat er extra middelen beschikbaar worden gesteld vanuit de kwaliteitsafspraken en het sectorplan, hier staan echter ook nieuwe bezuinigingen tegenover. De hoogte van deze beide actoren zijn nog niet goed te waarderen.
  5. Ontwikkeling derde geldstroom. Door teruglopende budgetten bij partners in de onderwijs- en zorgsector staat deze ontwikkeling onder druk. Dit wordt nauwkeurig gevolgd, zodat tijdig maatregelen genomen kunnen worden.
  6. De eerste fase van de renovatie is eind 2018 afgerond en opgeleverd. De algehele afwikkeling van de eerste fase van de renovatie zal vermoedelijk in kwartaal 2 van 2019 geheel worden afgerond. Momenteel zijn we bezig met de voorbereidingen voor de tweede fase van de renovatie, dat wil zeggen de begane grond en het buitengebied. Deze investeringen zullen we zoveel mogelijk uit eigen middelen financieren.

Financiële instrumenten

Hogeschool Viaa maakt in de normale bedrijfsuitoefening gebruik van uiteenlopende financiële instrumenten. Deze instrumenten zijn bedoeld om de risico’s voor de organisatie te verminderen, maar kunnen ook zelf de onderneming blootstellen aan markt- en/of kredietrisico’s. Deze betreffen financiële instrumenten die zijn opgenomen in de balans. Viaa handelt niet in deze financiële derivaten en heeft procedures en gedragslijnen om de omvang van het kredietrisico bij elke tegenpartij of de markt te beperken.

Treasurymanagement en vastgoedbeleid

Hogeschool Viaa kent een Treasurystatuut waarin het Treasurybeleid en de daarbij horende bevoegdheden zijn weergegeven. Het Treasurybeleid is risicomijdend. Alle gelden worden aangehouden bij instellingen met een A-rating. Overtollige liquiditeiten worden ondergebracht op een spaar- en depositorekening tegen een geldend rentepercentage van rond de 0%.

Overzicht uitstaande gelden op balansdatum:
Gelden op rekening-courant: € 1.566.000 (dagelijks opvraagbaar)

Gelden op spaar- en depositorekening:
< 1 maand: € 2.504.000 (dagelijks opvraagbaar; vast (hoger) rentepercentage, boete bij opvraging van meer dan 25%)   
< 1 maand: € 676.000 (dagelijks opvraagbaar; vast rentepercentage)

Langlopende schulden:
Vanaf 2016 is een lening verstrekt door de Provincie Overijssel, vertegenwoordigd door het Energiefonds Overijssel II B.V. in het kader van de renovatie van het schoolgebouw te Zwolle. De lening kent een hoofdsom van € 5.000.000 en een looptijd van 15 jaar. Daarnaast is in 2018 een aanvullende lening verstrekt door Pettelaar Effectenbewaarbedrijf N.V., vertegenwoordigd door de ASN Bank (Groenprojectenpool), waarin een deel van de oorspronkelijke hoofdsom van de lening van het Energiefonds Overijssel II B.V. is overgenomen door de ASN Bank en is tevens in het kader van de renovatie van het schoolgebouw. Deze lening kent een hoofdsom van € 3.000.000 en een looptijd van 15 jaar.

Publiek/privaat

Met ingang van 2013 heeft de hogeschool haar beleid heroverwogen ten aanzien van de scheiding tussen publieke en private activiteiten. Voor 2013 werd geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen beide soorten van activiteiten, terwijl ze vanaf dat jaar scherp zijn onderscheiden. Onder private activiteiten worden die activiteiten verstaan die niet vallen onder de wettelijke opdracht die een hbo-instelling heeft, maar wel in het verlengde liggen van de taken van de Hogeschool. Het resultaat van deze activiteiten wordt verwerkt in een afzonderlijke (private) bestemmingsreserve.

Tabel 9: Opgave aantallen studenten en vergoedingen Profileringsfonds 2018

Tabel 9: Opgave aantallen studenten en vergoedingen Profileringsfonds 2018
Aantal EER-studenten dat in 2018 een tegemoetkoming heeft ontvangen uit het Profileringsfonds Subtotaal van de in 2018 aan EER-studenten verstrekte vergoedingen uit het Profileringsfonds Aantal niet-EER-studenten dat in 2018 een tegemoetkoming heeft ontvangen uit het Profileringsfonds Subtotaal van de in 2018 aan niet EER-studenten verstrekte vergoedingen uit het Profileringsfonds Grand totaal van de in 2018 aan verstrekte vergoedingen uit het Profileringsfonds
13 € 16  0 € 0  € 16 

Tabel 10: Stand van zaken Notitie Helderheid

Tabel 10: Stand van zaken Notitie Helderheid
Thema Opmerkingen/toelichting
Uitbesteding Er worden geen delen van het onderwijs uitbesteed aan andere (niet-bekostigde) onderwijsinstellingen.
Investeren van publieke middelen in private partijen Viaa investeert geen publieke middelen in private partijen. Ultimo 2018 is de stand van de private reserve € 489.000 positief.
Verlenen van vrijstellingen Voor het verlenen van vrijstellingen bestaat binnen Viaa een algemeen beleidskader. De beoordeling ligt bij de afzonderlijke examencommissies. Het is geregeld in het Studentenstatuut en de Onderwijs en Examenregeling (zie ook hoofdstuk Algemeen en hoofdstuk 3, Onderwijs en onderzoek, par. Relatie met andere opleidingen).
Bekostiging van buitenlandse studenten Geen.
Collegegeld niet door de student zelf betaald Er is geen noodfonds of iets dergelijks. Het komt wel voor dat derden (bijvoorbeeld ouders, werkgevers) de collegegelden betalen.
Studenten volgen modules van opleidingen Komt voor als tweede studiekeus of in het kader van Kiezen op Maat; dan verrekening van hbo-instellingen onderling.
De student volgt een andere opleiding dan waarvoor hij is ingeschreven Komt niet voor.
Bekostiging van maatwerktrajecten Komt voor, bijvoorbeeld POH en SPICE: hiervoor worden de kosten bij de ‘partners’ in rekening gebracht en komen derhalve niet ten laste van de publieke middelen, tenzij er een publiek belang mee wordt gediend. Een en ander staat los van de bekostiging door het Rijk. Het gaat hier om private maatwerktrajecten.
Bekostiging van kunstonderwijs Niet van toepassing.

Bezoldigingsbeleid

College van Bestuur

De Raad van Toezicht heeft in oktober 2007 de hoofdlijnen van het Bezoldigingsbeleid van het College van Bestuur vastgesteld. De rechtspositie van de leden van het CvB is destijds herzien op basis van de ‘Uitwerking bezoldiging toezichthouders hogescholen’, op voorstel van de Remuneratiecommissie. Op de website van Hogeschool Viaa is de actuele uitwerking van de hoofdlijnen weergegeven. De voorzitter van het College van Bestuur heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De hoogte van de vaste bezoldiging staat aangegeven in onderstaande tabel. Voor het CvB is geen variabele beloning van toepassing. Op de arbeidsovereenkomst van het CvB is niet de cao hbo van toepassing. De pensioenafspraken volgen de lijnen van de cao hbo. Aan het CvB is met ingang van 1 juli 2007 de mogelijkheid van een leaseauto ter beschikking gesteld, onder de conditie van een bijdrage voor privégebruik. Een en ander is vastgelegd in een berijdersregeling.

Bezoldiging College van Bestuur 2018

De bezoldigingsgegevens voor het CvB van Hogeschool Viaa sluiten aan op het begrippenkader van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector (WNT). De sociale werkgeverslasten zijn geen onderdeel van de bezoldiging, omdat de hoogte van deze premies (die voor rekening van de werkgever komen) niet samenhangen met de hoogte van het inkomen van de bestuurder, maar met factoren als leeftijd en de keuze voor eigen risicodragerschap van de hogeschool. Voor een specificatie van de beloningen wordt verwezen naar de pragraaf 1a van het bezoldigingsbeleid in de jaarrekening (Model WNT).

Tabel 11: Overzicht declaraties CvB 2018

Tabel 11: Overzicht declaraties CvB 2018
Naam Jaar Representatie-kosten Reis- en verblijfskosten Overige kosten Totaal
J.D. Schaap, voorzitter CvB 2018 0,00 0,00 0,00 0,00
A.R. Langenberg-Klok, voorzitter CvB a.i. 2018 0,00 150,15 25,00 175,15

Honorering Raad van Toezicht 2018

Leden van de Raad van Toezicht van Hogeschool Viaa ontvangen een honorarium gerelateerd aan de mate van verantwoordelijkheid en aan de reële tijdsbesteding die nodig is voor het uitoefenen van de taken. Daarbij is een differentiatie aangebracht in de beloning voor de voorzitter, leden van commissies en overige leden.

De vergoedingen zijn bruto vergoedingen waarop loonheffing wordt ingehouden en waarop de btw-regeling voor toezichthouders van toepassing is. Een RvT-lid kan voor vrijstelling btw in aanmerking komen. Het betreffende lid dient dat zelf aan te vragen. De leden van de Raad van Toezicht kunnen gemaakte reiskosten en de uitgaven voor deskundigheidsbevordering declareren. Voor een specificatie van de beloningen wordt verwezen naar de pragraaf 1a van het bezoldigingsbeleid in de jaarrekening (model WNT).